• slide-4-Foto-RB-na-bewerken
  • slide5-Foto-kaartje-na-bewerking
  • slide6-Foto-wetboek
  • slide7Foto-biljetten

Huur werkkamer niet aftrekbaar

op .

Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de inspecteur terecht een bedrag van € 8.933 aan huisvestingskosten niet in aftrek op de winst uit onderneming heeft toegelaten.
Hof Den Haag oordeelt in hoger beroep dat het onderhavige huurrecht niet kan worden geactiveerd als bedrijfsmiddel.
De zzp-er kan ook niet als economisch eigenaar worden aangemerkt en evenmin kan het huurrecht worden aangemerkt als een 'economisch goed' dat als bedrijfsmiddel kan gelden.
Het Hof komt daarom niet toe aan de vraag of het huurrecht verplicht ondernemingsvermogen, verplicht privévermogen, of keuzevermogen is.
De huisvestingskosten dienen volgens het Hof te worden aangemerkt als ondernemingskosten.
Deze zijn niet aftrekbaar door toepassing van artikel 3.16 Wet IB 2001. De werkruimte vormt namelijk naar verkeersopvattingen niet een zelfstandig gedeelte van de woning.
Nu de werkruimte als niet-kwalificerende werkruimte onder de aftrekuitsluiting van artikel 3.16 Wet IB 2001 valt, wordt voorts niet aan de aftrekbeperking van artikel 3.17 Wet IB 2001 toegekomen.
Het hoger beroep van de zzp-er is ongegrond.



GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-14/00833
Uitspraak van 17 maart 2015

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z] belanghebbende,
en
de directeur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger van beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2014, nummer SGR 14/1455, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.


Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.238. Tegelijkertijd is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 19.

1.2. Bij uitspraak op bewaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.296.


Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake is een griffierecht geheven van € 122.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 3 februari 2015, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.


Vaststaande feiten


In hoger beroep is, op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende woont met zijn partner en hun twee zoons in een gehuurde woning aan de [Y] te [Z]. Hij huurt de woning van een woningbouwvereniging. Belanghebbende heeft niet het recht de woning onder te verhuren, of de huurderspositie in de huurovereenkomst aan een ander te doen toekomen.

3.2. Hij drijft een onderneming, [A], en verricht werkzaamheden in de bouw. Voorbereidende en ondersteunende werkzaamheden als acquisitie, het plannen van werkzaamheden en het bijhouden van de administratie verricht belanghebbende in een werkkamer die onderdeel uitmaakt van de gehuurde woning. De werkkamer vormt geen zelfstandig gedeelte van de woning in de zin van artikel 3.16 Wet IB 2001. 

3.3. De werkkamer beslaat iets meer dan elf percent van het totaal van de woning. Ter zake van de woning worden kosten gemaakt betrekking hebbend op huurkosten, kosten van gas, elektra en water, ten bedrage van in totaal (afgerond) € 8.935.

3.4. In de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende ter zake van de werkkamer als bedrijfskosten een bedrag van € 902 aan huisvestingskosten op de winst in mindering gebracht. De Inspecteur heeft dit bedrag in aftrek aanvaard.


Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of een (extra) bedrag van (€ 8.935 -/- € 902 = ) € 8.033 als huisvestingskosten op de winst uit onderneming in aftrek kunnen worden gebracht, onder gelijktijdige bijtelling van een bedrag van € 2.700 op grond van artikel 3.19 van de Wet IB 2001 als onttrekking voor het privégebruik.

4.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Het huurrecht van de woning is dienstbaar aan de onderneming, want de woning wordt voor meer dan tien percent in zijn onderneming gebruikt. Het huurrecht behoort daarom tot het keuzevermogen. Belanghebbende heeft het huurrecht als ondernemingsvermogen gekwalificeerd. Weliswaar is het huurrecht bij aanvang van de onderneming niet tot het ondernemingsvermogen gerekend, maar er hebben zich bijzondere omstandigheden voorgedaan die een keuzeherziening rechtvaardigen.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist.

4.4. Voor de verdere gronden waarop partijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.


Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.


Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft geoordeeld:

"6. Op grond van artikel 3.16, eerste lid, de aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 komen kosten die verband houden met een werkruimte in een woning die niet tot het ondernemingsvermogen van de belastingplichtige behoort niet in aftrek, tenzij de werkruimte naar verkeersopvattingen een zelfstandig gedeelte van de woning vormt en, ingeval de belastingplichtige niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, de winst uit onderneming hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte wordt verworven of in belangrijke mate in de werkruimte wordt verworven.

7. Uit hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd en overgelegd leidt de rechtbank af dat [belanghebbende] de huur van de woning als een huurrecht beschouwt en dat tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat dit huurrecht een vermogensbestanddeel is dat, al naar gelang de aanwending daarvan, tot het ondernemingsvermogen of het privévermogen van [belanghebbende] moet worden gerekend. Wat er zij van de opvattingen van partijen, naar het oordeel van de rechtbank is het huurrecht op de woning niet te vereenzelvigen met de woning. Zo het huurrecht al als een te activeren bedrijfsmiddel kan worden aangemerkt en zo de woning al voor meer dan 10% zakelijk zou worden gebruikt, dan laat dit onverlet dat de werkruimte van [belanghebbende] zich bevindt in een gehuurde woning en dus in een woning die niet tot zijn ondernemingsvermogen behoort. Dit heeft tot gevolg dat de kosten van de werkkamer slechts in aftrek kunnen komen als is voldaan aan de eis van artikel 3.16, eerste lid, van Wet IB 2001, oftewel dat de werkruimte naar verkeersopvattingen een zelfstandig gedeelte van de woning vormt. Dat dit het geval is heeft [belanghebbende], naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt. De kosten van de werkruimte komen daarom niet voor aftrek in aanmerking.

8. (…)

9. Gelet op hetgeen is vermeld onder 5. is het beroep gegrond verklaard en is de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.296."


Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Gebruiksrechten ter zake van in de onderneming gebezigde zaken vormen in het algemeen geen bedrijfsmiddel. Weliswaar vormen dergelijke rechten onderdeel van het ondernemingsvermogen, maar zij kunnen niet worden geactiveerd ingeval voor dergelijke rechten een periodieke vergoeding wordt betaald. Bij deze rechten staat immers het gebruik in een (boek)jaar tegenover de betalingen ter zake van het gebruik in dat (boek)jaar. Deze vergoedingen vormen daarom een bedrijfslast in het jaar waarop ze betrekking hebben. Derhalve kan het onderhavige huurrecht niet worden geactiveerd als bedrijfsmiddel.

7.2. In de onderhavige zaak zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat de gesloten huurovereenkomst zoveel afwijkende kenmerken van een normale huurovereenkomst vertoont dat belanghebbende als economisch eigenaar kan worden aangemerkt. Economisch eigendom impliceert immers dat de zaak voor rekening en risico van de gebruiker is. Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken.

7.3. Evenmin kan worden geoordeeld dat het huurrecht kan worden aangemerkt als een 'economisch goed' dat als bedrijfsmiddel kan gelden. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan immers slechts sprake ingeval een huurder of pachter belangrijke investeringen in het gehuurde of gepachte object verricht, waardoor het gebruiksrecht een bijzondere waarde verkrijgt. Bovendien kan het onderhavige huurrecht slechts als economisch goed kwalificeren indien het een waarde in het economische verkeer heeft, en daarvoor kwalificeren alleen goederen die overdraagbaar zijn aan derden. Gesteld noch gebleken is dat het onderhavige huurrecht overdraagbaar is.

7.4. Gelet op het vorenoverwogene kan aan de vraag of het huurrecht verplicht ondernemingsvermogen, verplicht privévermogen, of keuzevermogen is, niet worden toegekomen.

7.5. Vervolgens rijst de vraag of de lopende uitgaven met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gedaan. Naar het oordeel van het Hof dienen de huisvestingskosten voor zover zij verband houden met de werkruimte van belanghebbende te worden aangemerkt als ondernemingskosten. Bezien dient te worden of de ondernemingskosten niettemin worden getroffen door een wettelijke kostenaftrekbeperking. 

7.6. In een geval als het onderhavige staat artikel 3.16 Wet IB 2001 aftrek van kosten en lasten die verband houden met de werkruimte toe, indien onder meer voldaan is aan het vereiste dat de werkruimte naar verkeersopvattingen een zelfstandig gedeelte van de woning vormt. Aangezien vaststaat dat aan dat vereiste niet is voldaan, komt belanghebbende in het geheel geen aftrek toe op grond van voornoemde bepaling.

7.7. Artikel 3.17 lid 1, aanhef en letter c van de Wet IB 2001 bepaalt dat bij het bepalen van de winst onverminderd de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16 – ten aanzien van kosten en lasten die verband houden met door de belastingplichtige in privé gehuurde bezittingen, in aftrek komt: een gebruiksvergoeding van ten hoogste een evenredig deel van de huurprijs dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen. Indien - zoals hier - de werkruimte reeds als niet-kwalificerende werkruimte onder de aftrekuitsluiting van artikel 3.16 Wet IB 2001 valt, wordt niet aan de aftrekbeperking van artikel 3.17 Wet IB 2001 toegekomen. Dit volgt ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling (zie Kamerstukken II 2002/03, 29 026, nr. 3, p. 10 en p. 33).

7.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.


Proceskosten en griffierecht

8.1. Partijen zijn nader overeengekomen (nader stuk, bijlage 1) dat indien het standpunt van de Belastingdienst door de rechter wordt bevestigd, overgegaan zal worden tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten en het door hem betaalde griffie-recht.

8.2. Gelet hierop acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.461 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 487 x 1,5 (gewicht van de zaak)).

8.3. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 122 te worden vergoed.


Beslissing

Het Gerechtshof:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank,
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.461, en
gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 122 aan griffierecht te vergoeden.


Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk. J.T. Sanders en W.M.G. Visser in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 17 maart 2015 in het openbaar uitgesproken.